revelen
/ˈrevələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (verouderd) gemoedelijk praten over onbelangrijke dingen{{ouds
- (ov) (pejoratief) (verouderd) onzin praten, wartaal uitenKleine denkseltjes en woorden gingen druk over en weer in Hedwigs ziel, terwijl die verbijsterd onderging de zware kneuzing: - ‘Dit is nu iets heel ergs. - Hiervan valt men flauw. - Moet ik nu gillen? - Neen, ik schijn mij goed te kunnen houden. - Ik geef er niets om. - Ik blijf heel gewoon en kan het best aanzien.’ - Aldus praatte en revelde het in haar en zij bleef toezien, zichzelve waarnemend zonder te bespeuren hoe hevig de schok werkte.
Etymologie
*frequentatief, afgeleid van "reven"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek