resteren

/rɛstɪːrə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ~ van: ergens van overblijven
    Van het ooit uitgebreide koloniale rijk resteert niet veel meer.
    „De laatste zes bouwkavels worden binnenkort ook verkocht”, zegt Ronald Stinenbosch, medewerker van het gemeentelijk grondbedrijf van Dinkelland. „En dan zijn we als gemeente uitverkocht.” Dan resteren alleen nog 15 bouwkavels in Brookhuis-West; de laatste van de in totaal 38 die de gemeente aan Wiggers Projectontwikkeling heeft verkocht. Tubantia Alphons Weierink 25-10-17 [https://www.tubantia.nl/dinkelland/plan-brookhuis-in-ootmarsum-is-bijna-volgebouwd~a6748d3e/ Plan Brookhuis in Ootmarsum is bijna volgebouwd]
    De coach/verbinder zoekt altijd connecties en is uit op harmonie. Neemt de besluiten bij voorkeur volgens de democratische route: pas als er consensus is bereikt, gaat het plan door. Keerzijde: de coach vergeet zichzelf in alle pogingen om anderen te laten excelleren. En loopt zichzelf voorbij. Ander gevaar: in de pogingen om iedereen tevreden te stellen, sneuvelen de wildste ideeën en resteren vaak de matige, heel gemiddelde ideeën. Tubantia Leo van Marrewijk 11-11-17 [https://www.tubantia.nl/tubantia-werkt/welk-type-baas-heb-jij-en-hoe-ga-je-daarmee-om~a4f77819/ Welk type baas heb jij? (en hoe ga je daarmee om?)]

Etymologie

*afgeleid van het Franse rester ()

Vertalingen

Engelsremain
Fransrester
Duitsrestieren
Spaansrestar, permanecer, quedarse