overblijven

/ˈovərˌblɛivə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. nog overhouden
    Er was nog een munt in de portemonnee overgebleven.
    Ik kon niet wachten om te zien wat wel en wat niet zou overblijven van mijn relaxte houding op mijn tocht.
  2. op school blijven tussen de lessen in de ochtend en middag
    Tussen de middag mocht Marcel overblijven.

Vertalingen

Engelsrest, remain
Fransrester
Duitsbleiben
Spaansquedar, sobrar