Rennen

mannelijk (de)/ˈrɛŋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) (ongericht) zeer snel lopen
    Je hoeft niet te rennen, we hebben alle tijd.
    Ik heb vaak haast en ren door het leven.
  2. erga (erga) (gericht) zeer snel lopen
    Ik ben naar huis gerend.
    In het licht van mijn hoofdlamp zag ik een hele nieuwe dierenwereld: talloze kleine schorpioenen, duizendpoten en nachtvlinders renden en vlogen voor me uit en motachtige insecten cirkelden om mijn hoofd.
zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) (meestal in meevoud) een snelheidsproef op de weg of in het terrein
    Een snelheidsproef in de lucht of het water noemt men nooit een rennen of rennennen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘hard lopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelsrun, run
Franscourir, course
Duitsrennen, Rennen
Spaanscorrer
Japans走る
Turkskoşmak
Zweedsspringa