Rennen
mannelijk (de)/ˈrɛŋə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (ongericht) zeer snel lopenJe hoeft niet te rennen, we hebben alle tijd.Ik heb vaak haast en ren door het leven.
- (erga) (gericht) zeer snel lopenIk ben naar huis gerend.In het licht van mijn hoofdlamp zag ik een hele nieuwe dierenwereld: talloze kleine schorpioenen, duizendpoten en nachtvlinders renden en vlogen voor me uit en motachtige insecten cirkelden om mijn hoofd.
zelfstandig naamwoord
- (sport) (meestal in meevoud) een snelheidsproef op de weg of in het terreinEen snelheidsproef in de lucht of het water noemt men nooit een rennen of rennennen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘hard lopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelsrun, run
Franscourir, course
Duitsrennen, Rennen
Spaanscorrer
Japans走る
Turkskoşmak
Zweedsspringa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek