relatie

vrouwelijk (de)/rəˈla(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. min of meer vast verband, betrekking
    Zou er een relatie bestaan tussen die twee verschijnselen?
  2. sociologie (sociologie) persoonlijke, vaak amoureuze verhouding [2]
    Hij onderhield een relatie met een andere vrouw.
    Maar ook schreef ik mijn gedachten op over relaties, emoties, vrouwen, mannen, kinderen, verslaving, angst en haat.
    Het gerechtshof in Amsterdam heeft Keith Bakker woensdag in hoger beroep veroordeeld tot achttien maanden cel voor het verkrachten van een minderjarig meisje. Het OM eiste eind juni zes jaar cel en tbs met dwangverpleging, maar de straf viel fors lager uit. Volgens het hof is bewijs voor dwang in de relatie niet gevonden.
  3. persoon (persoon) iemand waarmee men zakelijke contacten onderhoudt
    Het is zaak je relaties in ere te houden.

Etymologie

*via Middelnederlands "relacie" van "relation", in de betekenis van ‘betrekking’ aangetroffen vanaf 1568

Vertalingen

Engelsrelation, acquaintance
DuitsBeziehung, Zusammenhang, Beziehung
Spaansconexión, relación, conocido