reduplicatie

vrouwelijk (de)/redypliˈkatsi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) vorming van nieuwe woorden of zinsneden door het geheel of gedeeltelijk herhalen van een deel daarvan
    Voorbeelden van reduplicatie in het Nederlands zijn: mama, gadogado, zigzag, aller-allergrootst, in- en intriest of dag in, dag uit
  2. biologie, historisch (biologie)(historisch) naam door Bateson gebruikt voor een door hem verondersteld genetisch proces

Etymologie

* van dupliceren en

Vertalingen

Engelsreduplication
Fransredoublement
DuitsReduplikation
Spaansreduplicación
Italiaansreduplicazione
Portugeesreduplicação
Russischредупликация
Chinees疊詞
Japans畳語
Koreaans첩어
Arabischمضاعفة
Turksikileme
Poolsreduplikacja
Zweedsfördubbling, duplifix