rammelaar
mannelijk (de)/ˈrɑməˌlar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) mannetje van een dier uit de familie der Haasachtigen (bijvoorbeeld een konijn of haas)
- een speeltuig voor baby's, m.b. een hol voorwerp waarin zich een of meer balletjes bevinden en dat geluid voortbrengt wanneer er mee geschud wordt
- babbelaar, tateraar; praatziek persoon
Etymologie
*[2], [3] Afgeleid van rammelen (ratelen, een rommelend geluid maken) .
Vertalingen
Engelsbuck, jack
Fransbouquin
DuitsRammler, Bock
Spaansconejo macho, liebre macho
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek