babbelaar

mannelijk (de)/'bɑbəlar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die veel kletst
    De oude vrouwen waren echte babbelaars.
  2. geel kleurig snoepje uit Zeeland gemaakt van boter, suiker, water, azijn en wat zout, boterbabbelaar
  3. zangvogels (zangvogels) een zangvogel uit de familie

Etymologie

* van babbelen