babbelaar
mannelijk (de)/'bɑbəlar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die veel kletstDe oude vrouwen waren echte babbelaars.
- geel kleurig snoepje uit Zeeland gemaakt van boter, suiker, water, azijn en wat zout, boterbabbelaar
- (zangvogels) een zangvogel uit de familie
Etymologie
* van babbelen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek