radiaal

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌradiˈjal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde, eenheid (wiskunde), (eenheid) de SI-eenheid voor een hoek per definitie gelijk aan de grootte van een middelpuntshoek van een cirkel waarvan de lengte van de boog gelijk is aan de lengte van de straal (radius)

Etymologie

*afgeleid van het Latijnse radius (straal)

Vertalingen

Engelsradian, radial
Fransradian, radiaire, radial
DuitsRadiant, radial
Spaansradián, radial