radheid
vrouwelijk (de)/ˈrɑthɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vaardigheid waarmee iets snel en doeltreffend wordt gedaan of gezegdHet meest echter openbaart zijn radheid van taal en gedachten zich als men hem met de wapens van spot of scherts aanvalt. Dan volgt de ene behendige zet op de andere, de ene kwinkslag na de andere, zo snel dat gij ervan verstomd staat.Sara had er ook - maar dit biechtte ze niet op - tweemaal een dame ontmoet die zich mevrouw Ulius noemde, maar van wie ze, met de radheid harer sexe, ried dat het volstrekt geen mevrouw was.De ware wereldartiest is hij die met radheid van tong een kant-en-klaar wereldbeeld kan opdissen dat zich, indien gewenst, diepzinnig laat aanhoren maar toch de luisteraars het gevoel geeft dat ze niet dom zijn.
Etymologie
*afgeleid van "rad"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek