quatertemper

mannelijk (de)/ˌkwatərˈtɛmpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (rooms-katholiek) elk van de vastgestelde vastendagen aan het begin van ieder kwartaal
    (…), waarin allerlei voedselsoorten geestelijke (christelijke) waarden symboliseren, die een soort spiritueel menu vormen voor de quatertemper (vastendagen aan het begin der vier seizoenen).

Etymologie

*via Middelnederlands "quatertemper" van middeleeuws Latijn "quatuor" "tempora" "vier tijden"