puf

mannelijk (de)/pʏf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fut, energie, lust
    Na 10 dagen hard werken had hij geen puf meer om nog gezellig op visite bij zijn familie te gaan.
  2. medisch (medisch) plotselinge uitstoot van lucht of gas (bij inhalatie van medicatie)
    Hij gebruikte pufjes i.v.m. zijn cara.