pruttelen

/prʏtələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. kookkunst, intr (kookkunst) (intr) op een laag pitje koken
    Ontspannen lag hij op zijn matje met een pruttelend potje aardappelpuree op zijn gasbrander.
  2. ov (ov) geluidjes maken met name binnensmonds mopperen of mompelen (morren)
    De startmotor gierde boosaardig en toen sloeg de kleine tweetaktmotor aan en begon druk te pruttelen

Etymologie

* In de betekenis van ‘geluidjes maken’ voor het eerst aangetroffen in 1649

Vertalingen

Engelssimmer