pruim
mannelijk/vrouwelijk (de)/prœym/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) (bloemplanten) een plantensoort uit de rozenfamilie ()
- (fruit) vrucht van de pruimenboom
- (kleur) de violette kleur van paarse pruimen (kunnen echter ook geel of rood zijn)
- pluk tabak om op te kauwen of te zuigen
Etymologie
* Leenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1377-1378
Uitdrukkingen
- De rijpste pruimen zijn geschud — belangrijkste werk is gedaan of grootste deel van de oogst is binnengehaald
Vertalingen
Engelsplum
Fransprune
DuitsPflaume
Spaansciruela
Italiaansprugna, susina
Portugeesameixa
Russischслива
Japansセイヨウスモモ, プラム
Turkserik
Zweedsplommon
Deensblomme
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek