pruim

mannelijk/vrouwelijk (de)/prœym/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (m) (bloemplanten) een plantensoort uit de rozenfamilie ()
  2. fruit (fruit) vrucht van de pruimenboom
  3. kleur (kleur) de violette kleur van paarse pruimen (kunnen echter ook geel of rood zijn)
  4. pluk tabak om op te kauwen of te zuigen

Etymologie

* Leenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1377-1378

Uitdrukkingen

  • De rijpste pruimen zijn geschudbelangrijkste werk is gedaan of grootste deel van de oogst is binnengehaald

Vertalingen

Engelsplum
Fransprune
DuitsPflaume
Spaansciruela
Italiaansprugna, susina
Portugeesameixa
Russischслива
Japansセイヨウスモモ, プラム
Turkserik
Zweedsplommon
Deensblomme