prop
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- samengepakte massa weefsel of papier, vaak gebruikt om iets af te stoppenHij zat propjes te schieten.
- (waterbeheer) bolder van houten staken op een rijshouten zinkstuk
Etymologie
* In de betekenis van ‘bal’ voor het eerst aangetroffen in 1420
Vertalingen
Engelsswab, plug
DuitsPropf
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek