prol

mannelijk (de)/prɔl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) iemand van lage komaf die zich onbeschoft gedraagt
zelfstandig naamwoord
  1. dikke brij die met aardappelen of brood dik is gemaakt

Etymologie

*[B] mogelijk verwijzing (klanknabootsing) naar een week allegaartje dat een pruttelend geluid maakt, verwant aan prul, prut, pruttelen en prutsen