primaat
mannelijk (de)/priˈmat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) benaming voor zoogdieren uit de orde , waartoe apen en halfapen behorenOok de mens is een primaat.
- (religie) kerkelijke titel voor de voornaamste aartsbisschop van een kerkprovincieHij is aartsbisschop van Brussel en primaat van België.
zelfstandig naamwoord
- omstandigheid dat iets het belangrijkste is, dat het voorrang krijgt op al het andere, dat het prevaleertDaarmee wordt het primaat van de economische groei nog niet losgelaten.
- oppergezag
Etymologie
**(n): van Latijn "primatus" ‘heerschappij’, op te vatten als van primeren
Vertalingen
Engelsprimate, primate
Fransprimate, primat, primat
DuitsPrimat, Primas
Spaansprimate, primado, primado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek