primaat

mannelijk (de)/priˈmat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor zoogdieren uit de orde , waartoe apen en halfapen behoren
    Ook de mens is een primaat.
  2. religie (religie) kerkelijke titel voor de voornaamste aartsbisschop van een kerkprovincie
    Hij is aartsbisschop van Brussel en primaat van België.
zelfstandig naamwoord
  1. omstandigheid dat iets het belangrijkste is, dat het voorrang krijgt op al het andere, dat het prevaleert
    Daarmee wordt het primaat van de economische groei nog niet losgelaten.
  2. oppergezag

Etymologie

**(n): van Latijn "primatus" ‘heerschappij’, op te vatten als van primeren

Vertalingen

Engelsprimate, primate
Fransprimate, primat, primat
DuitsPrimat, Primas
Spaansprimate, primado, primado