predicatie

vrouwelijk (de)/prediˈka(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) toespraak door een voorganger om een bepaald geloof uit te dragen
    Adressen voor pleeggezinnen waren vooral verkregen door oproepen vanaf kansel en preekstoel. Groningse pleegouders schreven aan de ouders van hun pleegdochter: „De predicatie was aangrijpend en na de mis holden moeders met betraande ogen naar de pastorie” – om zich op te geven.
  2. figuurlijk (figuurlijk) vermanende toespraak
    Met mijn dronken kop durf ik haar predicatie gerust te interpreteren als een aanmoediging om nog meer plezier te maken.

Etymologie

*via Middelnederlands "predicatie" / "predicacie" van "predication", op te vatten als van prediceren