predicatie
vrouwelijk (de)/prediˈka(t)si/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) toespraak door een voorganger om een bepaald geloof uit te dragenAdressen voor pleeggezinnen waren vooral verkregen door oproepen vanaf kansel en preekstoel. Groningse pleegouders schreven aan de ouders van hun pleegdochter: „De predicatie was aangrijpend en na de mis holden moeders met betraande ogen naar de pastorie” – om zich op te geven.
- (figuurlijk) vermanende toespraakMet mijn dronken kop durf ik haar predicatie gerust te interpreteren als een aanmoediging om nog meer plezier te maken.
Etymologie
*via Middelnederlands "predicatie" / "predicacie" van "predication", op te vatten als van prediceren
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek