preek

mannelijk/vrouwelijk (de)/prek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een stichtelijk betoog door een geestelijke in een kerkdienst
    Alles draait in dienst in Baptistenkerk om het thema dankbaarheid. Of het nu het gebed, de preek, een klein toneelspel of de tekst van psalmen, gezangen en liederen, is, alles daat erom dat mensen in het leven dankbaar moeten zijn. Tubantia 08-11-07 [https://www.tubantia.nl/almelo-e-o/basisscholen-westerhaar-vieren-dankdag~ac2c5c7a/ Basisscholen Westerhaar vieren Dankdag]
  2. overdrachtelijk: een vermanende toespraak
    Mijn moeder wil niet dat ik met hem omga en dus kreeg ik weer een hele preek.

Etymologie

* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘leerrede’ voor het eerst aangetroffen in 1599

Vertalingen

Engelssermon
DuitsPredigt
Spaanssermón