pracht

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. versiering met als doel indruk te wekken
    De koning kwam met veel pracht en praal naar de opening van de Staten Generaal.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘praal’ voor het eerst aangetroffen in 1569

Vertalingen

Engelsgloss, luxury, pomp
Spaansesplendor, lujo, pompa