plukken

/ˈplʏkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) (bloemen) afbreken of oogsten; vruchten oogsten
    Zij plukten een paar prachtige bloemen in hun tuin en brachten ze in de woonkamer.
    Om de haverklap stopte ik om de zoete bessen te plukken waardoor mijn handen paars kleurden van hun sap.
  2. ov (ov) ontdoen van de veren
    Hij was de kip helemaal aan het plukken.
    Toen ik die eerste keer voor hem stond, in de gang voor de provisiekamer, had ik net zo goed een teleurstellend kleine houtduif kunnen zijn die hij wel of niet zou laten plukken voor het eten.
  3. ov (ov) iemand geld afzetten
    Pluk die vereniging niet zo leeg!
  4. ov, sport (ov), (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
    De doelman plukte de bal uit de lucht.

Etymologie

*De oudere aanname van een vroege ontlening aan een vulgair Latijns woord *piluccare “uitpluizen, pellen, plukken” is zowel chronologisch alsmede fonologisch gezien lastig te verklaren.

Vertalingen

Engelspick, pluck, pluck
Franscueillir, plumer, plumer
Duitspflücken, rupfen, rupfen
Spaansrecolectar, desplumar, desplumar