plof

mannelijk (de)/plɔf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dof geluid van iets dat valt of van een plotseling ontbrandend of ontsnappend gas
tussenwerpsel
  1. klanknabootsing van het geluid van iets dat valt of van een plotseling ontbrandend of ontsnappend gas

Etymologie

* In de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ voor het eerst aangetroffen in 1844