plank

mannelijk/vrouwelijk (de)/plɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een plat en langwerpig stuk hout
    Hij draagt een plank naar binnen met herenbrood en een ronde, Goudse kaas voor Nella.
    Maar om te zorgen dat de boog niet instortte in de harde wind moest je een vakwerk van hout en planken bouwen dat vanaf de bodem van het dal omhoogging — er waren enorme hoeveelheden hout nodig om de ondersteuning sterk genoeg te maken.
  2. een plank om iets op te zetten -> schap
    Op de plank staat ook een vreemd uitziende lamp met de vleugels van een vogel en het hoofd en de borsten van een vrouw.
    Op mijn eigen plank staat een aardig rijtje.
    Hij viel over de stapel planken die voor de deur waren neergelegd.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘plat stuk hout’ voor het eerst aangetroffen in 1284

Uitdrukkingen

  • Op de plank en binnen.(duivensport) een reisduif moet direct geconstateerd worden om een prijs te kunnen winnen
  • brood op de plank brengengeld verdienen

Vertalingen

Engelsboard, plank
DuitsBrett, Planke
Spaansplancha, tabla, tablero