plan

onzijdig (het)/plɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een voorgenomen handelswijze
    Het plan om vroeg op te staan mislukte doordat de wekker niet afging.
    Waarom had ik geen donder gehoord of bliksem gezien tijdens mijn tocht omhoog? Wat had ik nu spijt van het plan om de zonsondergang en zonsopkomst vanaf de top te willen gaan bekijken.
  2. een idee van iets dat men wil gaan doen
    Hij is een plan aan het beramen.
  3. een ontwerp voor een ruimtelijke of economische ordening
    We gingen met z'n allen een plan ontwerpen.
  4. niveau
    Hij ging het op een hoger plan brengen.
  5. de perspectiefverdeling van een schilderij of vergezicht
  6. plattegrond
    Heb jij een plan bij je?

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontwerp, voornemen’ voor het eerst aangetroffen in 1674

Uitdrukkingen

  • Een onbekookt plan (hebben)een plan hebben waar niet goed over is nagedacht
  • Je plan trekkenhet zelf uitzoeken

Vertalingen

Engelsplan
DuitsPlan
Spaansplan