pijler
mannelijk (de)/ˈpɛilər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zuil, pilaarDat zijn de pijlers waarop de brug komt te rusten.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘steunpilaar’ voor het eerst aangetroffen in 1430
Vertalingen
DuitsPfeiler
Spaanspilar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek