pijler

mannelijk (de)/ˈpɛilər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zuil, pilaar
    Dat zijn de pijlers waarop de brug komt te rusten.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘steunpilaar’ voor het eerst aangetroffen in 1430

Vertalingen

DuitsPfeiler
Spaanspilar