peuren
/ˈpørə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) wroeten, peuteren
- (intr) paling vissen met een peur
- (ov) vangen met een peur
- (intr) (figuurlijk) iets trachten te krijgen
Etymologie
*[zelfstandig naamwoord] peur met uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek