periodeduur
vrouwelijk (de)/pɪri'odɘ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde), (elektronica) de lengte van één periode/cyclus uitgedrukt in een tijdseenheidEen wisselstroom met een frequentie (symbool: f) van 100Hz heeft een periodeduur (symbool: T) van 0,01s.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek