peren

/ˈperə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, voetbal, informeel (ov) (voetbal) (informeel) met veel kracht trappen (van de bal)
    „We weten dat hij een goede trap heeft”, vertelde Pennings. „Maar vaak als Roycel een vrije trap nam, ging de bal met een boogje naar het doel. Wel richting de hoek, maar meestal kon de keeper de bal dan vrij gemakkelijk pakken. Romeo van Aerde (assistent-trainer) en ik hebben hem eens gezegd: ‘Peer hem nou eens loeihard naar de goal.’”
    {{ouds

Etymologie

* afgeleid van "peer"

Uitdrukkingen

  • appels met peren vergelijken
  • kut met peren
  • met de gebakken peren zitten