smeren
/ˈsmerə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov), (voeding) met een zachte, eetbare massa bestrijken; m.n. van sneetjes broodDe boterhammen moeten nog gesmeerd worden.
- (ov) (werktuigbouwkunde) de wrijving tussen bewegende delen verminderen met een olie of vetIk moet dat scharnier eens smeren, want het piept.
- (intr) (v. smeermiddel e.d.) een smerende werking hebbenDie olie smeert goed.
- (financieel), (misdaad) omkopen, (met geld) corrumperenDat geld was bedoeld voor het smeren van de onderhandelaars.
- (erga), (informeel) m ~ snel weggaan, wegvluchten"Smeer 'm!" riep de man.De dief was 'm gesmeerd.
Etymologie
* In de betekenis van ‘met een vettige stof bestrijken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- [2] "de wrijving tussen bewegende delen verminderen met een olie of vet"
- Het loopt gesmeerd — Het gaat precies zoals bedoeld
Vertalingen
Engelsspread, anoint, smear
Franstartiner
Spaansuntar, aceitar, engrasar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek