smeren

/ˈsmerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, voeding (ov), (voeding) met een zachte, eetbare massa bestrijken; m.n. van sneetjes brood
    De boterhammen moeten nog gesmeerd worden.
  2. ov, werktuigbouwkunde (ov) (werktuigbouwkunde) de wrijving tussen bewegende delen verminderen met een olie of vet
    Ik moet dat scharnier eens smeren, want het piept.
  3. intr (intr) (v. smeermiddel e.d.) een smerende werking hebben
    Die olie smeert goed.
  4. financieel, misdaad (financieel), (misdaad) omkopen, (met geld) corrumperen
    Dat geld was bedoeld voor het smeren van de onderhandelaars.
  5. erga, informeel (erga), (informeel) m ~ snel weggaan, wegvluchten
    "Smeer 'm!" riep de man.
    De dief was 'm gesmeerd.

Etymologie

* In de betekenis van ‘met een vettige stof bestrijken’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • [2] "de wrijving tussen bewegende delen verminderen met een olie of vet"
  • Het loopt gesmeerdHet gaat precies zoals bedoeld

Vertalingen

Engelsspread, anoint, smear
Franstartiner
Spaansuntar, aceitar, engrasar