parool
onzijdig (het)/paˈrol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- herkenningswoord, wachtwoordDe poortwachter moest iedere dag het nieuwe parool leren.
- belofte, erewoordAlle mensen genezen was het parool van de arts.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘leus’ voor het eerst aangetroffen in 1673
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek