parool

onzijdig (het)/paˈrol/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. herkenningswoord, wachtwoord
    De poortwachter moest iedere dag het nieuwe parool leren.
  2. belofte, erewoord
    Alle mensen genezen was het parool van de arts.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘leus’ voor het eerst aangetroffen in 1673