parochiezaal

mannelijk/vrouwelijk (de)/paˈrɔxiˌzal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (katholiek) grote ruimte waar activiteiten van een parochie worden gehouden
    Hij betaalde het herstel van de kerk en liet later een parochiezaal bouwen die wegens verliezen moest worden verkocht aan een bierbrouwer.