parochiezaal
mannelijk/vrouwelijk (de)/paˈrɔxiˌzal/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (katholiek) grote ruimte waar activiteiten van een parochie worden gehoudenHij betaalde het herstel van de kerk en liet later een parochiezaal bouwen die wegens verliezen moest worden verkocht aan een bierbrouwer.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek