parochie
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘kerkelijke gemeente’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsparish
Fransparoisse
DuitsPfarrgemeinde
Spaansparroquia
Italiaansparrocchia
Portugeesparóquia
Poolsparafia
Zweedsförsamling
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek