parkiet

mannelijk (de)/pɑrˈkit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. papegaaiachtigen (papegaaiachtigen) kleine papegaaiachtige vogel
    De kooi van haar parkiet hangt bij het openstaande fornuis, en de laatste gloed van de kooltjes beschijnt de metalen spijlen.
    Ze had zelf haar hutkoffer ingepakt en haar parkiet voor het eerst in een kooi gestopt.

Etymologie

*van "periquito" of "periquito" "pietje", in de betekenis van ‘papegaaiachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1623

Vertalingen

Engelsparakeet, budgerigar
Fransperruche
DuitsSittich
Spaansperiquito
Portugeesperiquito