parka

mannelijk (de)/ˈpɑrka/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon, oorspronkelijk een kledingstuk van de Inuïts
    Een parka van de Britse ontwerpster Margaret Howell. Elk jaar ga ik tussen kerst en nieuw naar Stockholm, afgelopen december vond ik er deze geweldige winterjas in de solden. Ik shop weinig. Het ontbreekt me aan geduld en goesting. In het buitenland doe ik dat iets vaker. de Standaard 20/september/2017 door Kim De Craene
    Ten tijde van zijn vermissing droeg N. een donkerblauwe, heuplange parka, donkerblauwe sneakers en een zwarte 'biker-skinny' broek. Hij is 173 centimeter lang, heeft bruin haar en groene ogen. Tubantia 12 januari 2017

Etymologie

*via """, "па́рка" (párka) en "parkaale" van Toendra- "парка" (parka), in de betekenis van ‘pooljak’ aangetroffen in 1959

Vertalingen

Engelsparka