Park
onzijdig (het)/pɑrᵊk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoudWe hebben hier een prachtig park, het Umpstead State Park, waar ik graag ga wandelen.De preutsere Amerikanen, die in tegengestelde richting de John Muir Trail (een 350 kilometer lange trail door Ansel Adams Wilderness en de nationale parken van Yosemite, Sequoia en King’s Canyon) liepen, bleven stug naar de grond kijken terwijl ze in volle vaart doorbeenden.
- verzameling gelijksoortige apparaten of goederenDe dierentuin zegt dat men bezig is met nieuwe plannen voor een deel van het park waar ook de zeeleeuwen verblijven.
Etymologie
* van Middelnederlands "parc" en "parc"
Vertalingen
Engelspark
Spaansparque
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek