Park

onzijdig (het)/pɑrᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
    We hebben hier een prachtig park, het Umpstead State Park, waar ik graag ga wandelen.
    De preutsere Amerikanen, die in tegengestelde richting de John Muir Trail (een 350 kilometer lange trail door Ansel Adams Wilderness en de nationale parken van Yosemite, Sequoia en King’s Canyon) liepen, bleven stug naar de grond kijken terwijl ze in volle vaart doorbeenden.
  2. verzameling gelijksoortige apparaten of goederen
    De dierentuin zegt dat men bezig is met nieuwe plannen voor een deel van het park waar ook de zeeleeuwen verblijven.

Etymologie

* van Middelnederlands "parc" en "parc"

Vertalingen

Engelspark
Spaansparque