pantry

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈpɑntri/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klein keukentje (op kantoor of in een vliegtuig) geschikt voor het maken van warme dranken en kleine maaltijden
    De pantry waar nog restanten staan van de kerstborrel en een kop soep waar inmiddels paddenstoelen op groeien, mag best nog even worden schoongemaakt voor de zomer.
    Een collega bracht de moeder met het kind naar de pantry van het vliegtuig, ‘waar ik de baby borstvoeding gaf’, zegt Organo, die zichzelf beschrijft als een voorstander van borstvoeding.
  2. provisiekamer

Etymologie

* uit het Engels

Vertalingen

Engelsscullery