pad

mannelijk (de)/pɑt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kikkers (kikkers) kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
  2. kikkers (kikkers) en vuurbuik- en knoflookpadden die veel op [1] lijken
zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) een smalle weg of voetweg
    Op het pad in het bos kwam Roodkapje de wolf tegen.
    Behoorlijk enerverend, zo in het donker over het smalle paadje langs de steile bergwand.
    Het voelde goed om een vers pad in de sneeuw te kunnen maken.
  2. figuurlijk (figuurlijk) weg of traject in algemene zin, de manier waarop iets bereikt of verwezenlijkt wordt of zou kunnen worden
    Het pad naar perfectie.
    Op Utrecht Centraal is het ongewoon rustig tijdens de ochtendspits deze vrijdag. Veel mensen geven gehoor aan de oproep zoveel mogelijk thuis te blijven vanwege het coronavirus, maar niet iedereen. Wie zijn de mensen die toch op pad gaan en waarom?
zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) deel van een fietsframe, aan het uiteinde van de voor- of achtervork, waaraan de wielas wordt bevestigd
  2. techniek (techniek) een bevestigingspunt aan een wagenas waaraan de (schokbreker van de) koets of laadbak wordt bevestigd
zelfstandig naamwoord
  1. koffiepad, een klein kussentje gevuld met gemalen koffie waarmee met in een daarvoor geschikt koffiezetapparaat een kleine hoeveelheid koffie kan zetten.
    De pads van dit merk koffie passen niet in elk koffiezetapparaat.
  2. elektronica (elektronica) een platte computer die vrijwel alleen bestaat uit een aanraakbaar beeldscherm
    Op een pad kun je tekst invoeren via een toetsenbord dat op het beeldscherm wordt getoond.

Etymologie

[[Bestand:Frog žába.gif|thumb|200px|[A] pad: kikker]]

Vertalingen

Engelstoad, path, pathway
Franscrapaud, sentier
DuitsKröte, Pfad, Fußweg
Spaanssapo, sendero
Italiaansrospo, sentiero, portamozzo
Portugeesatalho, senda, vereda
Russischжаба
Japansひきがえる
Poolsropucha
Zweedspadda, gång, stig
Deenssti