paan
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) een op fluweel of ribfluweel gelijkende stofHij droeg een broek van paan en een houtje-touwtjejas.
- (kleding) een lap stof groot genoeg om om het middel geslagen te wordenNauwelijks had een oude vrouw daaronder een paantje in het oog gekregen, of ze riep schreiende uit:‘Ké! meneer, dat is mijn eigendom.Codjo, de brandstichterF.H. RikkenTimmerman, Paramaribo 1904
Etymologie
* hier komt de etymologie van het woord-->
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek