pa

mannelijk (de)/pa:/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) papa, vader
    Mijn pa komt morgen op bezoek bij mij.
    De inzet was een nieuw pornoblaadje dat Emil een dag eerder tussen het oud papier van zijn vader had gevonden en dat hij nog had kunnen redden van de open haard, toen zijn pa even naar het toilet was.
    Mijn pa die elke dag doodmoe thuiskwam van zijn werk als vrachtwagenchauffeur en onmiddellijk in de skaileren leunstoel in slaap kukelde, pijpje bier nog in zijn hand.

Vertalingen

Engelsdad, pa
Franspapa
DuitsPapa
Spaanspapá