paaien

/pajə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, dierkunde (inerg), (dierkunde) het leggen en bevruchten van eieren door vissen
    De zalm paait in hetzelfde stroompje waar hij geboren is.
  2. ov (ov) trachten in het gevlij te komen bij iemand
    Hij slaagde er opnieuw in zijn geldschieter te paaien en meer geld los te krijgen.
  3. ov, scheepvaart (ov) (scheepvaart) de bemanning van een ander schip aanspreken
    Er werd direct besloten de Eems te paaien om te vragen of het schip een aantal zwaargewonden kon meenemen naar de neutrale haven van IJmuiden.
  4. scheepvaart (scheepvaart) het bewerken met harpuis van het dooddeel, het deel van het schip boven de waterlijn
  5. scheepvaart (scheepvaart) laten schieten van een kabel
    Een touw in het ruim paaien.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tevredenstellen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1281

Vertalingen

Engelsspawn, ingratiate oneself, entice
Duitslaichen
Spaansdesovar, complacer
Russischнереститься, завлекать, обхаживать