overzij

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈovərˌzɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overkant, overzijde, vooral gebruikt in gedichten
    Laat alle hoop varen, zou Dante zeggen, want u betreedt de hel: ‘Hier staat men eenzaam op de brug/ in ’t holst van deze morgen, / om op de eb te zien weerspiegeld// de Soda dreunend aan de overzij. Volkskrant Piet Gerbrandy 31 juli 2009
    Brand een kaars en loop over de bodem van het bad en breng de vlam naar de overzij. NRC 26 oktober 2012