overleggen

/ˌovərˈlɛɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. gezamenlijk bespreken
    Er moest druk worden overlegd om de zaken niet te laten escaleren.
werkwoord
  1. ter inzage geven van documenten aan bevoegde personen
    Hij was de gegevens, die bij de aanvraag moeten worden overgelegd, vergeten mee te nemen.
    Bijna 20 miljoen euro wilde ze lenen. Ze kon een (vervalste) kredietbrief van de UBS Bank in Zwitserland overleggen en toonde rekeningoverzichten waarop haar ‘vermogen’ stond, staat in de aanklacht te lezen schrijft persbureau AP.

Etymologie

*: "overleg" met de uitgang -en

Vertalingen

Duitsberaten, überlegen