overlap

mannelijk (de)/ˈovərˌlɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mate waarin twee lagen, onderdelen e.d. iets gezamenlijk bedekken
    Er is altijd overlap tussen grootzeil en voorzeil.
  2. overdrachtelijk situatie dat iets door meer dan een persoon of organisatie bestreken wordt
    Er is een halfuurtje overlap tussen de ochtendploeg en de avondploeg.
  3. wiskunde (wiskunde) ~ tussen twee functies f(x) en g(x): de integraal \int{f(x).g(x)dx}
    Wanneer de overlap nul is zijn twee functies orthogonaal.

Etymologie

*: van "overlappen"