ouwe

mannelijk (de)/ˈɑuwə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ouder, vader, ouder persoon, iemand die er al lang is
    Dat moet je maar aan de ouwe vragen!
    De ouwetjes hebben het prima naar hun zin gehad.
  2. muziek (muziek) gouwe ~: een populair nummer dat in het verleden lang een topper geweest is
    We draaien nog even een gouwe ouwe.
  3. spreektaal (spreektaal) uitspraakvariant van "oude"
    Want stel je voor dat Sint hier in een ouwe, grauwe paardedeken was aangekomen. Hadden jullie hem dan herkend?
    Een pretpakket met ouwe grappige rotzooi die ik een week eerder in een tweedehandswinkel had gekocht voor mijn vrienden die drie dagen achter me liepen.

Etymologie

* verbastering van oude