ouwel

mannelijk (de)/ˈɑuwəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een dun wit ongedesemd baksel van rijstzetmeel zoals dat in de Eucharistie en als bodem voor bepaalde koekjes gebruikt wordt
    Deze macronen kun je het beste op ouwel bakken, anders komen ze aan de bakplaat vast te zitten.

Etymologie

*Afkomstig van het Latijnse oblata (offerbrood).