origine

vrouwelijk (de)/ɔriˈʒinə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plaats of tijd waar iets of iemand uit afkomstig is
    De afgelopen 39 jaar was het torentje wit geverfd, maar tijdens restauratiewerkzaamheden kwamen architectuurhistorici erachter dat de toren van origine niet geverfd was, maar een donkergrijze kleur had.
    De peuter bezweek korte tijd later in het ziekenhuis. Het jongetje was volgens officier van justitie Eli Gabel 'een vrolijk, energiek jongetje, een goedverzorgd kindje'. Zowel het slachtoffertje als de verdachte zijn van Ghanese origine.

Etymologie

*van "origine"