ordeteken

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uiterlijk versiersel van een ridder waaraan men kan zien tot welke ridderorde de ridder behoort
  2. ereteken
    ' De koning maakte het kruis van het Legioen van Eer los, dat hij op zijn blauwe jas droeg naast het kruis van Lodewijk de Heilige, het ordeteken van Onze-LieveVrouw-van-de-berg-Karmel en dat van Sint-Lazarus, en gaf het aan Villefort.
    ' `En jij een nieuw ordelintje, als ik het goed heb? Zie ik daar geen blauw biesje aan je gouden speld?' `Hm, ja, ze hebben me het ordeteken van Karel iii gestuurd,' zei Debray achteloos.
    Een ordeteken staat goed op een hooggesloten zwarte jas.