ordegrootte

vrouwelijk (de)/ˈɔrdeˌɣrotə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ruwe indicatie van de omvang, met weinig precisie aangeduide hoeveelheid
    Het hoogwater in de Rijn bereikte afgelopen weekend z’n piek. (…) De afvoer kwam uit op circa 7.300 m³ per seconde. „Het water zal nog tot woensdag op dit niveau blijven”, verwacht Eric Sprokkereef van Rijkswaterstaat. (…) Heel uitzonderlijk is dit hoge water volgens hem niet. Voor exact deze afvoer bij Lobith moet je weliswaar 10 jaar terug in de tijd, maar „deze ordegrootte, zo rond de 7.000 m3 per seconde, zien we elke drie jaar wel”.
  2. wiskunde (wiskunde) aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
    De ordegrootte van de maximumsnelheid van een gemiddelde auto uitgedrukt in km/h is 2.

Etymologie

*, als vooral in Nederland gangbare (verkorting) van orde van grootte