ordehandhaving

vrouwelijk (de)/ˈɔrdəhɑntˌhavɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geheel van activiteiten uitgevoerd door bevoegde personen om ervoor te zorgen dat mensen zich in een bepaalde situatie volgens de regels gedragen
    De premier erkende dat bij de ordehandhaving zaterdag zaken zijn misgegaan. De na de ernstig geëscaleerde demonstratie op 1 december aangepaste strategie was „niet correct uitgevoerd”. In een poging minder rubber kogels te gebruiken, heeft de politieleiding gezien het geweldsniveau van de activisten „niet passend” gehandeld, zei Philippe.
    Ik heb, net als alle andere fietsers, nare gewoonten ontwikkeld door het langdurig ontberen van ordehandhaving. Want mijn gedrag is collectief gedrag; ik, wij, iedereen weet dat er geen agent te zien is – en dus doe je wat je wilt.
    De juristen uit Nederland ontkenden niet dat Rusland het recht kan hebben om op te treden in zijn ‘exclusieve economische zone’ in de Barentszzee. De conventie somt niet voor niets de gevallen op waarin ordehandhaving op vrije zee en inspectie van een verdacht schip zijn geoorloofd: zoals piraterij, slavenhandel of radio-uitzendingen.