opteren

/ɔpˈterə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een keuze doen
werkwoord
  1. ov (ov) verteren, geheel opmaken, zodat er niets meer overblijft
  2. ov (ov) door teren opknappen

Etymologie

*[B] ópteren:

Vertalingen

Engelsuse up
Fransopter
Spaansoptar, acabar, apurar